557 oefeningen (293 enkel Β· 264 dubbel) Β· zoek en filter op enkel/dubbel, niveau, aantal spelers en slag of thema.

Leer de halfvolley spelen onder druk

Gekruiste duels vanaf de baseline

Grondslagen onder druk en de approach

Opbouwen van consistentie onder druk, versterken van samenwerking en vergroten van mentale veerkracht.

Passeren tegen een aanstormende netspeler
Rustig kruiselings forehands spelen om controle en ritme op te bouwen.

Blijf gefocust op jouw bal

Volleer naar de voeten, niet de lucht in

Controle en geduld met serve-volley

Houd de bal weg uit het midden

Aanvallen en counteren

Kom naar het net en maak het punt af

De juiste slagkeuze maken

Herken een gewonde tegenstander en maak het af aan het net

Korte, scherpe hoeken spelen

Lobs over je hoofd achterna lopen

Dropshots en lobs ophalen

Het juiste moment om de lijn te kiezen

Slim kiezen bij de volley

Gecontroleerd aanvallen op een korte bal

Veel overgangsvolleys oefenen

Volleys onder druk

Grondslagen onder druk

Aanvallen en naar het net

Lopende passeerslagen

Negen levens


Baselineversie

Samenwerkingsspel met de coach

Samenwerkingsspel vanaf de baseline

Naar het net en afmaken

Dubbel stuitspel

Naar het net en afmaken

Spelers leren hun handen zacht te houden om kracht uit de inkomende bal te nemen en daarna de volgende bal agressief af te maken.

Spelers leren om na een goede passeerslag zichzelf positief te motiveren. Ze trainen de passeerslag onder druk, de overgang naar het net en het uitspelen van punten.

Spelers leren een stevige blokvolley te spelen op een zeer harde aanvoer. Daarbij oefenen ze een laag net-contact, een stabiele houding en het uitspelen van het punt na de volley.

Spelers verbeteren hun stretchvolley: een volley op een brede, lage bal waarbij je moet reiken. Ze trainen positiespel aan het net, snelle voeten en het afmaken van het punt na de volley.

Spelers leren hoe ze een effectieve lob slaan en hoe ze als netspeler snel herstellen om een smash te slaan. Ook oefenen ze het droppen van een bal vlak over het net en het snel terugkeren naar de juiste positie.

Spelers leren de transitievolley: vanuit de basislijn naar het net rennen en een lage, gecontroleerde volley spelen. Beide punten worden alleen cross gespeeld.

Spelers leren aanvallen en passeren: de netspeler sluit het net af, de baselinespeler leert een lopende passeerslag te slaan. Alle punten worden alleen cross gespeeld.

Spelers leren de bal diep te houden in een baslijnspel en snel naar het net te sprinten na elk punt, zodat de tegenstander geen kans krijgt om het "hustle"-punt te winnen.

Spelers leren welke bal zich het best leent voor een dropvolley. De netspeler speelt eerst diepe volleys en zoekt daarna het juiste moment voor een dropvolley.

Spelers leren hun slagen te variΓ«ren en kansen te zoeken om naar het net te komen. Ze trainen cross-rally's vanaf de baseline, het herkennen van een korte bal en het afmaken aan het net.

Spelers leren hun handen zacht te houden en kracht uit de bal te halen. Dit is een belangrijke vaardigheid waar veel spelers moeite mee hebben.

Spelers leren het spel van tegenstanders te lezen en een goede inschatting te maken van wie een korte wedstrijd gaat winnen. Tegelijk oefenen ze hun eigen spel onder druk in een mini-wedstrijd.

Spelers leren momentum te begrijpen en te beheersen. Ze oefenen om een voorsprong in een korte reeks punten af te maken en onder druk geconcentreerd te blijven.

Spelers leren de dubbelbreedtegang (de zijstrook van 1,37 m) gericht te raken en samen te werken. Ze bouwen controle, richting en constantie op en leren onder druk samenwerken en winnen.

De spelers op het net leren korte hoekvolley's te slaan en niet terug te spelen naar de baseliner. De baseliner leert slimme (niet harde) passeerslagen te spelen.

Spelers leren een volley met controle te spelen en een volley-tot-volleyrally zo lang mogelijk vol te houden, samen met de trainer. De nadruk ligt op een korte, gecontroleerde swing in plaats van uithalen.

Een oefening van grondslag tegen volley waarin de spelers leren de bal in het spel te houden. De baseliner leert zijn passeerslagen iets zachter te spelen en de bal in leven te houden, in plaats van altijd op een winnaar te gaan.

Een oefening van grondslag tegen volley waarin de spelers leren de bal in het spel te houden. De baseliners leren een lage, rollende passeerslag te spelen in plaats van altijd hard te slaan, en leren een passeerslag te zien als een combinatie van twee slagen.

De spelers leren met grondslagen vaste spelpatronen op te bouwen door de helft van de tegenstander in vier vakken te verdelen en die vakken in een vooraf bepaalde volgorde aan te spelen.

De spelers leren diepere en gecontroleerde volleys te spelen door samen een volleyrally in de lucht te houden in een smalle zone.

De returners leren een nieuwe manier van retourneren: de opslag dicht bij de servicelijn opvangen als een soort halfvolley (Sneak Attack By Roger). De serveerders leren onder druk te serveren.

De spelers leren de juiste slagkeuze te maken: veilig en hoog over het net vanop of achter de baseline, en aanvallend en laag wanneer ze binnen de baseline staan.

De spelers leren gevoel en controle door de bal zacht op de netband te laten tikken en over het net te laten vallen.

De spelers leren met scherpe hoeken en gevoel het punt af te maken en ontwikkelen goede minitennisvaardigheden.

De spelers leren slaan vanuit alle zones van het veld, vooral vanuit de overgangszone, en hun slaggrootte en kracht aan te passen.

De spelers leren langere rally's te spelen en constanter te zijn vanop de baseline.

De spelers leren tegen een loper (een speler die elke bal terugbrengt) naar het midden van het veld te spelen en zo de mogelijke hoeken voor de tegenstander te beperken.

De spelers leren de bal uit het midden van het veld te houden en hun tegenstander te laten lopen.

De volleyspeler leert een blokvolley te spelen op ballen met veel snelheid. De serveerder leert de opslag naar de voeten van de volleyspeler te richten.

De spelers leren spelen vanuit alle zones van het veld: de baseline, het middenveld en het net.

De spelers leren controle op hun grondslagen en volleys en kiezen voor controle in plaats van kracht.

De spelers leren het punt te dicteren met hun forehand en met agressief voetenwerk rond hun backhand te lopen.

De spelers leren een effectieve slice te spelen, een slag waar veel spelers zich niet comfortabel bij voelen.

De spelers leren de hoge boogbal: een hoge, diepe bal met topspin om een tegenstander uit zijn ritme te halen of naar achter te duwen.

De spelers leren vechten voor elk punt en in de rally te blijven, of juist het punt snel af te maken.

De spelers leren constant vanaf de baseline te spelen en krijgen een stevige conditietraining.

Ervaren spelers leren diepe en gerichte volleys spelen terwijl ze zich zijwaarts verplaatsen.

De spelers leren hun backswing in te korten en de bal vroeg te nemen vanaf de baseline.

De spelers leren de bal snel te herkennen, er naartoe te draaien en na een naderingsslag naar het net te komen.

De spelers leren hun eerste volleys te maken wanneer ze naar het net komen.

De spelers op een gecontroleerde manier opwarmen en hen van bij het begin ballen laten maken.

De spelers trainen een variatie aan slagen en vaardigheden: netspel, passings en verdedigen tegen harde ballen.

De spelers leren betrouwbaar te smashen en goed te lobben.

De spelers leren slagen te spelen vanuit verschillende zones van het veld: van achteruit, in de overgang naar het net en aan het net.

De spelers leren naar het net te komen met een agressieve naderingsslag en leren het net te verdedigen.

De spelers leren het klassieke patroon kruiselings en langs de lijn te spelen, met oranje overgangsballen.

De spelers leren het patroon kruiselings en langs de lijn te spelen met een rally waarin ze de bal eerst omhoogtikken, zodat ze meer tijd krijgen om zich te verplaatsen.

De spelers ontwikkelen betrouwbare grondslagen en leren vanaf de baseline standvastig te spelen met het patroon kruiselings en langs de lijn.

De spelers leren regelmatig te volleyeren en hoeken te maken met hun volleys, terwijl er meerdere ballen tegelijk in het spel zijn.

De spelers leren de bal over het hele veld te verplaatsen met hun grondslagen.

De spelers leren nadenken over de plaats waar ze hun bal naartoe spelen.

De spelers ontwikkelen een betrouwbare smash en leren verdedigende lobs te spelen.

De spelers leren omgaan met druk in een wedstrijdsituatie.

De spelers leren onder druk te kiezen voor een aanvallende speelstijl en naar voren te komen.

De spelers trainen twee vaardigheden: snelheid uit de bal halen met een dropshot en korte middenveldballen agressief afwerken.

De spelers leren nadenken over de beste manier om het punt te winnen en de zwakke punten van hun tegenstander te herkennen.

De spelers leren nadenken over de beste manier om het punt te winnen en de zwakke punten van hun tegenstander te herkennen.

Een leuk spel tegen de muur waarbij de spelers hun grondslagen onder controle leren houden.

Blauw verbetert zijn volleys en reflexen met de muur en leert niet te groot uit te halen op de volley.

Een intensief teamspel met grondslagen waarbij de spelers onder druk scherp blijven.

De spelers leren schakelen tussen rustig, regelmatig spel en agressief spel om het punt te winnen.

Een baselineoefening twee tegen één, cross-court gespeeld, om consistentie en conditie te verbeteren.

De spelers ontwikkelen gevoel en balcontrole met korte, zachte ballen. Een leuke oefening die ook ideaal is als opwarming in groepslessen.

Een cross-courtoefening één tegen één waarbij samenwerken en punten winnen worden gecombineerd.

Een coâperatieve volleyoefening één tegen één om controle en gevoel aan het net te verbeteren.

Een coΓΆperatieve volleyoefening die werkt op plaatsing en controle.

Wedstrijdpunten in het enkelspel waarbij de spelers beloond worden voor het slagen van hun eerste opslag.

De spelers leren aan het raakpunt van de tegenstander te zien waar de bal naartoe zal gaan, zodat ze als netspeler sneller de juiste kant kunnen dekken.

De spelers leren aan het raakpunt van de tegenstander te zien hoe aanvallend die de bal zal spelen. Niveau: 2.5 en hoger.

De spelers leren aan de lichaamsbeweging van de tegenstander zien of hij naar voren of naar achteren beweegt wanneer hij de bal raakt, zodat ze kunnen voorspellen welke bal er komt. Niveau: 2.5 en hoger.

De spelers leren volleren op reflex, wanneer ze minder tijd hebben om te reageren. Niveau: 3.5 en hoger.

De spelers leren vanaf de baseline veilig tennis te spelen, met de hoogste kans op een goede bal. Niveau: 2.5 en hoger.

Volleytactiek voor het dubbelspel. De netspeler leert zijn plaats aan het net te verdedigen, de aanvallers leren welke ballen ze aanvallend en welke ze neutraal moeten spelen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een creatieve opwarming die veel balcontrole en voetenwerk vraagt. De spelers ervaren hoe moeilijk het is om zacht en gecontroleerd te spelen. Niveau: 2.0 en hoger.

Het net aanvallen en verdedigen in een wedstrijdvorm voor groepen enkelspelers, verspreid over meerdere velden. Niveau: 3.0 en hoger.

Het net aanvallen tegen een speler op de baseline, in een wedstrijdvorm voor groepen enkelspelers, verspreid over meerdere velden. Niveau: 3.0 en hoger.

Met veel spelers tegelijk enkelspel spelen op kleine veldjes, met kleinere rackets en schuimballen. Het is leuk en ook een stevige training voor oudere jeugd en volwassenen. Niveau: alle niveaus.

Met een zeil over het net leren de spelers de bal hoger over het net en dieper te spelen vanaf de baseline. Het zeil maakt de oefening ook tactisch: de spelers zien niet meer waar de bal aan de overkant landt en moeten dus vertrouwen op een veilige, diepe baan. Niveau: 2.5 en hoger.

Met een zeil over het net leren de spelers doeltreffende passeerslagen te spelen die onder het niveau van het net naar beneden duiken. Het zeil geeft meteen visuele terugkoppeling: wie het goed doet, ziet de bal heel even achter het zeil verdwijnen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een variant op de klassieke oefening cross en langs de lijn. De spelers leren hun bal langs de lijn te spelen en de richting van de bal te veranderen, zonder hun regelmaat te verliezen. Een bal langs de lijn heeft een lager slaagpercentage, maar in bepaalde situaties moet je hem toch kunnen uitvoeren. Niveau: 3.5 en hoger.

Een sterke oefening om de controle over de volley en de reflexen te trainen. Omdat alle spelers dicht bij elkaar staan, moet elke volley gecontroleerd en zacht gespeeld worden, anders gaat de bal meteen buiten spel. Niveau: 3.5 en hoger.

Een sterke oefening om de controle over de volley en de reflexen te trainen. De speler in het midden krijgt de ene volley na de andere en moet elke bal gecontroleerd terugspelen, anders gaat de bal meteen buiten spel. Niveau: 3.5 en hoger.

Een wedstrijdvorm op een half veld met grondslagen vanaf de baseline, waarbij het veld kleiner wordt naarmate je wint. Wie punten wint, krijgt aan de overkant minder ruimte en moet dus nauwkeuriger spelen. Zo kun je spelers van een verschillend niveau tegen elkaar laten spelen en leren ze nadenken over hun tactiek vanaf de baseline. Niveau: 3.0 en hoger.

Een wedstrijdvorm over het hele veld vanaf de baseline die risicovol spel wegneemt. Spelers leren dat ze het risico verkleinen door veiliger te mikken, en dat ze die keuze kunnen maken wanneer ze te veel fouten maken of zenuwachtig zijn. Het gekleurde doelvak geeft een duidelijk beeld en laat hen nadenken over andere opties dan altijd voor een winner te gaan. Niveau: 2.5 en hoger.

Een samenwerkende volleyoefening die de juiste voorbereiding op de volley aanleert. Door de bal te moeten opvangen in een leeg ballenblikje leren de spelers hun racket maar een klein beetje naar achteren te brengen. Met een te grote uithaal lukt het opvangen niet. Niveau: 2.5 en hoger.

Een wedstrijdvorm voor het enkelspel waarin de serveerder zelf kiest met welke stand hij aan elke game begint. Wie durft te starten met een achterstand, kan meer punten verdienen. Zo leren de spelers onder druk te spelen, risico's in te schatten en een achterstand om te buigen. Niveau: alle niveaus.

Een wedstrijdvorm die de slice-aanvalsbal traint. De speler die een korte, lage bal krijgt, moet die met slice langs de lijn naar voren spelen en het punt aan het net afmaken, terwijl de tegenstander vanuit een slechte positie probeert te passeren. Niveau: 3.0 en hoger.

Een wedstrijdvorm die snelheid naar het net traint, want wie als eerste aan het net staat, heeft het voordeel. Daarnaast oefenen de spelers het terughalen van een lob en het uitspelen van het punt op een half veld. Niveau: 3.0 en hoger.

Een leuk spel dat enkelspel en dubbelspel combineert. Eerst houden de spelers een rally volley tegen grondslag zo lang mogelijk vol, daarna moeten ze meteen omschakelen naar een dubbelpunt met vier. Zo trainen ze de controle aan het net en het snelle omschakelen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening met levende bal voor de eerste volley in de overgang van de baseline naar het net. De spelers leren naar voren te komen, onderweg een gecontroleerde eerste volley te spelen en snel weer klaar te staan. Niveau: 3.5 en hoger.

Een oefening één tegen één waarin de trainer de richting van de eerste slag bepaalt. De spelers leren rond hun backhand te lopen om een forehand te spelen, vaste spelpatronen op te bouwen en het punt vroeg in de rally te dicteren. Zo ontdekken ze ook hoe goed ze de forehand inside-out en inside-in beheersen. Niveau: 2.5 en hoger.

De spelers trainen grondslagen in volle loop en hun beslissingen onder druk. Wie ver moet lopen, kiest tussen een hoge bal of lob om tijd te winnen en een aanvallende slag wanneer de kans er is. Niveau: 2.5 en hoger.

Een intensieve wedstrijdvorm voor het enkelspel waarin de winnaar blijft staan. De spelers spelen punten vanaf de baseline, en wie een punt verliest, wordt meteen vervangen door een frisse speler. Zo leren ze ook punten te winnen wanneer ze vermoeid zijn. Niveau: 2.5 en hoger.

Een teamspel voor opslag en return. De serveerder kiest bij elk punt: gokken met serve-and-volley voor meer punten, of op veilig spelen en achteraan blijven. Zo leren de spelers risico's afwegen en zowel serve-and-volley als de return onder druk te oefenen. Niveau: 2.5 en hoger.

Een teamspel dat enkelspel en dubbelspel combineert, naar het voorbeeld van de Davis Cup. Elk punt dat een speler wint, telt mee voor de teamscore, zodat de spelers voor elkaar strijden en zowel in het enkel als in het dubbel onder druk moeten presteren. Niveau: 2.5 en hoger.

Een oefening die baseline- en netspel combineert. De spelers leren spelen wanneer ze in volle loop en in de problemen zitten, en daarna een korte bal te benutten met een slice-aanvalsbal naar het net. Niveau: 3.5 en hoger.

Een oefening die de spelers dwingt om met hoeken en gevoel te spelen. Door het veld sterk te verkleinen, leren ze echt snelheid van de bal te halen en met veel gevoel te spelen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening met drie ballen waarin één speler telkens in een moeilijke situatie terechtkomt: een wijde bal, een lob over het hoofd en een dropshot. De speler aan de overkant van de trainer leert zich uit de problemen te vechten en het punt toch uit te spelen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening voor balcontrole met volleys en grondslagen. De spelers houden een gecontroleerde rally grondslag tegen volley vol, en op het fluitsignaal wordt de volleyspeler gelobd en stormt de baselinespeler naar het net. Omdat de oefening veel balcontrole vraagt, is ze bedoeld voor ervaren spelers. Niveau: 4.0 en hoger.

Een oefening waarin de spelers vanaf de baseline zowel aanvallend als veilig leren spelen. Ze leren minstens twee niveaus van agressiviteit vanaf de baseline, wat goed van pas komt tegen tegenstanders met verschillende speelstijlen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening waarin de spelers vanuit alle drie de zones van het veld spelen: vanaf de baseline, vanuit het middenveld met een aanvalsbal en aan het net met een smash. Een uitdager moet drie punten op rij winnen om de kampioen van zijn plaats te stoten. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening met punten vanaf de baseline waarin de winnaar van het eerste punt een gemene bal mag aanspelen. De spelers komen zo in moeilijke situaties terecht en leren knokken en goed verdedigen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening waarin de netaanvaller zelf kiest waar de aangespeelde bal naartoe gaat. Zo leert hij nadenken over de beste tactiek om naar het net te komen, zoals hij dat in zijn eigen wedstrijden moet doen, terwijl de passeerder zijn passeerslagen traint. Niveau: 2.5 en hoger.

Een oefening waarin de spelers hun eigen aanvalsbal slaan en daarna naar het net komen. Ze leren dat ze bij een aanvalsbal minstens twee mogelijkheden hebben: met slice langs de lijn of met topspin cross. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening waarin alleen backhand slices toegestaan zijn. De spelers slijpen hun backhand slice in een cross rally en leren een korte bal af te straffen met een slice-aanvalsbal langs de lijn, waarna ze naar het net komen. Niveau: 4.5 en hoger.

Een oefening waarin één passeerder het opneemt tegen een rij netaanvallers. Omdat er alleen cross op een half veld gespeeld wordt, moet de passeerder slim spelen en de bal laag houden, want om de netaanvaller heen passeren is moeilijk. De netaanvallers oefenen hun aanvalsvolley en het spel aan het net. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening waarin één speler alleen aan zijn kant staat en het opneemt tegen een rij spelers aan de overkant, die op een dropshot naar het net moeten komen. Omdat de speler aan de overkant al aan het net staat, leert de inkomende speler de bal laag en zacht weg te leggen of hem over de netspeler heen te lobben. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening met punten vanaf de baseline en een speciale telling. Een speler scoort pas als hij twee punten op rij wint. Zo leren de spelers denken in termen van momentum, in plaats van alleen punt per punt te proberen te winnen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening met punten vanaf de baseline en een momentumtelling. De spelers leren punten in reeksen te winnen, want punten op rij leveren extra op. De speler die punten verliest, leert de reeks van zijn tegenstander te stoppen en zelf weer op de rails te komen. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening waarin de punten beginnen met de spelers op ongewone startplekken. Zo ontstaan noodsituaties, die in een echte wedstrijd vaak voorkomen, en leren de spelers zich daaruit te redden. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening waarin de spelers leren hoe belangrijk het is om de bal diep te houden. Een korte bal geeft de tegenstander de kans om naar het net te komen, en daar is één goede volley genoeg om dubbel te scoren. Zo worden de spelers ook aangemoedigd om vaker naar het net te gaan. Niveau: 3.0 en hoger.

Een zware conditieoefening voor spelers van hoog niveau. Blauw en rood spelen de hele tijd tegen elkaar, en alle punten worden cross gespeeld: één punt vanaf de baseline en één punt dat eindigt in een volleyduel aan het net. Niveau: 4.0 en hoger.

Een oefening waarin de spelers leren tijd te kopen om te herstellen. Ze leren niet harder te slaan dan hun eigen herstel toelaat: wie te hard en te snel terugslaat, komt zelf niet meer op tijd terug in positie. Dat gebeurt vaak bij jeugdspelers, zonder dat ze beseffen dat ze zo hun eigen spel ondermijnen. Niveau: 3.5 en hoger.

Een oefening waarin de serveerder op een doel moet slaan. Hij leert dat hij met zijn opslag kan bepalen of de ontvanger een forehand of een backhand moet slaan. Die vaardigheid wordt door veel spelers over het hoofd gezien: de plaats van de opslag is belangrijker dan de kracht. Bovendien zet de oefening de serveerder onder druk, wat goed is om op training te oefenen. Niveau: 3.5 en hoger.

Een oefening waarin de spelers in duo's zo snel mogelijk honderd ballen proberen te slaan. Ze moeten zelf het juiste evenwicht vinden tussen kracht en regelmaat: harder slaan geeft misschien meer rally's, maar ook meer fouten; regelmatig spelen geeft minder fouten, maar misschien win je de wedstrijd niet. Zo kunnen de spelers zich ook met anderen meten. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening waarin de speler aan de baseline aanvallende passeerslagen probeert te slaan. Omdat de volleyspeler alleen een volley in het veld hoeft te spelen om het punt te winnen, moet de passeerder echt voor een winnende passeerslag gaan. Niveau: 3.0 en hoger.

Een oefening met verschillende soorten ballen, die elk een andere waarde hebben. De spelers leren snel herkennen welke bal er aangespeeld wordt en wat ze met die bal moeten doen. De afwisseling houdt hen scherp en alert. Niveau: 2.5 en hoger.

De spelers aan de kant van de trainer leren zich na een slechte positie snel terug in het punt te werken; de spelers aan de overkant leren een tegenstander die uit positie staat af te maken.

De spelers leren lange rally's opbouwen en niet te vroeg fouten maken; ze ontwikkelen geduld vanaf de baseline.

Blauw leert zijn passeerslagen laag te houden tegen een netspeler, zodat die geen gemakkelijke volley kan spelen.

De spelers leren met snelle handen recht op of door de netspeler te volleyen. Dat is een vaardigheid die zelden wordt getraind.

Een verslavend spel dat veel inzet, snel voetenwerk en balgevoel vraagt.

Een passeerslagenspel waarin de netspelers en de passeerders vanuit een lastige beginpositie het veld oplopen en het punt moeten winnen.

Een half-coΓΆperatieve oefening tussen een netspeler en een baselinespeler die veel balcontrole en constante volleys vraagt.

De spelers oefenen de slice vanaf de baseline, lang genoeg om de slag echt onder de knie te krijgen. De oefening is bedoeld voor spelers die de slice al kunnen uitvoeren.

De spelers leren lange punten opbouwen vanaf de baseline.

De spelers oefenen een veelvoorkomende passeerslagsituatie en leren een tegenstander afmaken die in de problemen of uit positie staat.

De spelers leren volleyen vanuit het niemandsland zonder dichter naar het net te lopen.

De spelers leren lange rally's spelen en volwassen punten opbouwen.

Blauw en rood ontwikkelen meer racketsnelheid en versnelling door met een schuimbal te spelen; grijs en geel leren korte, scherpe hoeken spelen.

De passeerders leren weg te spelen van de netspeler.

De spelers leren lobben op een levende bal in plaats van op een ingevoerde bal.

De serveerders leren serveren met maximale kracht en racketsnelheid; de terugslager leert diepe, zware ballen opvangen met een korte counterslag.


De ene partner serveert voor de andere, waarna de punten worden uitgespeeld. Zo spelen drie spelers singles op één baan zonder dat iemand moet wachten.

De netspelers stormen naar het net tegen een passeerder. Blauw, de passeerder, probeert met passeerslagen alle spelers aan de overkant uit te schakelen.

De spelers mogen alleen slice en onderspin gebruiken. Zo leren ze de slice in al zijn vormen toevoegen aan hun spel.

Gecontroleerd volleren vanuit verschillende plaatsen op het veld. De spelers leren volleren met wisselende snelheid en wisselende stand van het racketblad.

Een leuk spel dat de werpbeweging traint en de spelers leert strategisch te denken.

De spelers leren wanneer ze een dropshot moeten spelen en krijgen meteen feedback over hoe goed die lukt.

De spelers leren verdedigen tegen een agressieve bal vanuit het middenveld. De aanvaller oefent het afwerken van een korte bal, de verdediger oefent anticiperen en vechten om de bal terug te spelen.

De spelers leren een rally tussen volley en grondslag zo lang mogelijk gaande te houden. De netspeler oefent een stevige, gecontroleerde volley, de baselinespeler oefent een constante grondslag. Door er een wedstrijdje van te maken, komt er meer intensiteit en doelgerichtheid in de oefening.

De spelers leren een zware bal te spelen: een bal die nog stijgt wanneer hij over de baseline van de tegenstander gaat. Zo leren ze hoger en dieper in het veld te spelen in plaats van alleen hard te slaan. Rafael Nadal is bekend om dit wapen.

De spelers leren de bal met een korte hoek buiten het enkelveld te spelen. Tegelijk leren ze na elke slag snel te herstellen, zodat ze niet harder slaan dan hun eigen herstel toelaat.

De spelers leren met meer diepte te spelen. Veel spelers merken na deze oefening dat ze minder diep slaan dan ze dachten.

De spelers leren de rally te verlengen. Door het wedstrijdelement wordt het oefenen van regelmaat nooit saai.

De spelers oefenen scherpe hoeken rond het net. Blauw en rood werken aan korte, gesneden ballen met veel hoek, grijs en geel werken aan snelle volleys zonder dat de bal de grond raakt.

De spelers spelen gewone enkelpunten, maar met een creatieve telling. Daardoor leren ze aanvallend te spelen en actief naar winners te zoeken, wat veel kansen geeft om te coachen.

De spelers leren games en sets af te maken. De speciale regel bij gamepunt zorgt voor veel druk, en net dat is waardevol op training. Juist spelers die deze oefening niet graag spelen, hebben ze vaak het meest nodig.

De netspeler leert zich te verdedigen wanneer hij kwetsbaar aan het net staat en de tegenstander een makkelijke bal krijgt. Hij leert gokken waar de passeerslag naartoe gaat, in plaats van te wachten en te reageren op een bal die zo hard gespeeld wordt dat er nauwelijks reactietijd overblijft.

De spelers leren voor elke bal te vechten, zoals Rafael Nadal. Deze oefening test de bereidheid om te vechten, te hollen en af te zien.

Enkelpunten spelen met vier spelers op een baan. Ideaal voor groepslessen wanneer er niet genoeg banen zijn om met twee spelers per baan te spelen.

De spelers leren een game af te maken. Door een kleine aanpassing aan de telling spelen ze meer punten onder druk, zoals de punten op het einde van een game, en net dat is waardevol op training.

De spelers krijgen een concreet doel bij hun slagen: zo veel mogelijk ballen binnen het veld spelen in een minuut. Elke speler leert zijn eigen score kennen, zodat hij zijn persoonlijk record kan verbeteren.

De spelers leren koste wat het kost naar het net te komen en het punt vanaf het net af te maken.

De spelers leren nooit op te geven, ook niet wanneer ze achterstaan. De speciale telling is de sleutel van dit spel.

Een pittige oefening van twee tegen een met zowel baselinespel als netspel. Blauw staat alleen en speelt elk punt, rood en grijs wisselen elkaar af.

Een pittige oefening van twee tegen een met zowel baselinespel als netspel. Blauw staat alleen en speelt elk punt, rood en grijs wisselen elkaar af.

Een goede oefening voor volley tegen baseline. De baselinespeler leert het hele enkelveld te verdedigen, de netspelers oefenen volleys en blijven actief door tussendoor naar de baseline en terug te lopen, wat ook overgangsvolleys oplevert.

De spelers leren hun tegenstander weg te duwen van de baseline, richting de omheining, en leren zelf te spelen van ver achter de baseline. Deze eenvoudige tactische aanpassing kan een speler die van achteraan punten verliest echt helpen.

De spelers leren een opening te creΓ«ren. Ze leren in patronen te denken en hun tegenstander over het veld te sturen, in plaats van alleen aan hun eigen kant van het veld te denken.

De spelers trainen snelle handen en controle bij de volley. De oefening wordt half samenwerkend gespeeld: stevig volleren, maar met controle, zodat de rally blijft lopen.

Een sterke oefening voor passeerslagen en volleys. De baselinespelers oefenen passeerslagen en lobs onder druk, de aanvallers oefenen het aanvallen naar het net en een stevige volley.

De spelers leren hun uithaal in te korten wanneer ze harde ballen krijgen. De nadruk ligt op de baselinespeler, die leert omgaan met kracht door een korte, compacte tegenslag te spelen.

De spelers leren een verrassingsaanval uit te voeren. Ze leren een hoge bal uit de lucht te onderscheppen met een volley, een tactiek die altijd werkt tegen een speler die alleen hoge ballen speelt.

De spelers leren te returneren vanuit een andere positie, ver binnen het veld. Dat geeft de ontvanger veel nieuwe mogelijkheden: zijn uithaal inkorten, de return als korte, compacte tegenslag spelen, gesneden returneren en aansluiten naar het net, de return blokken, de kracht van de opslaggever gebruiken en de opslaggever onder druk zetten.

De spelers krijgen meer oefening aan het net. Deze oefening is heel doeltreffend voor spelers die bijna nooit naar het net komen en daardoor een onderontwikkeld netspel hebben.

De spelers leren als eerste toe te slaan. Ze leren vaker naar het net te komen, kansen te zien om naar voren te gaan en het punt aan het net af te maken.

Deze oefening combineert samenwerken en wedstrijdspel. De spelers moeten eerst rustig en regelmatig een vast patroon spelen en daarna aanvallend en strijdlustig een punt uitspelen.

Een oefening twee tegen één, met één speler aan de baseline tegen twee netspelers. De spelers krijgen veel oefening aan het net en met hun passeerslagen. Wie vanaf de baseline wint, neemt de plaats in van de netspeler die hij geklopt heeft. Niveau: 2.5 en hoger.

De spelers leren in een punt van achteruit zelf het moment te kiezen om naar voren te komen, en het punt dan vooraan af te maken met een bal uit de lucht. De tekening toont op elke helft de bal die heen en weer gaat tussen de twee baselines.

De spelers leren een schuine bal en een bal langs de lijn zeker en op de juiste plek te spelen, en daarna een punt van achteruit te spelen. De tekening toont het patroon: de bal van de trainer, de schuine bal van blauw en de bal langs de lijn van rood.

De spelers leren een schuine bal en een bal langs de lijn zeker en op de juiste plek te spelen, en een korte bal diep te spelen en erachteraan naar voren te komen om het punt af te maken. De tekening toont het patroon en het vak waar de korte bal landt.

De spelers leren de return diep en midden te spelen, van beide kanten van de middenlijn, en de server leert onder druk zijn opslag in het vak te krijgen.

De spelers leren de bal zowel net voor als net achter de baseline goed te raken, en na elke slag meteen hun plek te veranderen. De tekening toont op elke helft de bal die heen en weer gaat, en hoe blauw en rood een stap het veld in zetten.

De speler achteraan leert de bal langs de lijn te spelen langs een tegenstander vooraan, en die tegenstander leert de bal uit de lucht schuin weg te spelen. Daarna spelen ze een punt in die stand. De tekening toont de bal van de trainer, de bal van blauw langs de lijn en de schuine bal uit de lucht van rood.

De spelers leren een punt te spelen waarin de server maar één opslag heeft, en de ontvanger leert zelf het punt te kiezen waarop dat gebeurt. De tekening toont op elke schuine helft de opslag naar het servicevak schuin tegenover de server.

De spelers leren punten te spelen en te serveren in een game waarin de opslag van speler wisselt, en ze leren bij elke stand vanaf de juiste kant van de middenlijn te serveren. De tekening toont de opslag van blauw.

De spelers leren in een punt van achteruit een korte bal net over het net te spelen, en een korte bal van de tegenstander te halen zonder door de servicevakken aan hun kant te lopen. De tekening toont de korte bal van rood en hoe blauw er via de gang naartoe loopt.

De spelers leren twee soorten punten te spelen: een lang punt van achteruit, en een punt waarin de speler aan de kant van blauw een korte bal schuin wegspeelt en erachteraan naar voren komt. De tekening toont het tweede punt: de korte bal van de trainer, hoe blauw ernaartoe loopt en hem schuin speelt.

De spelers leren de bal met onderspin te spelen: eerst dicht bij het net, daarna steeds verder naar achteren.

De speler aan de overkant leert een punt te openen met een bal die hij zichzelf aangeeft, telkens van een andere plek, en de speler aan de kant van blauw leert die punten te verdedigen, ook met een lob.

De spelers leren een forehand in beweging op een doel te richten, en zo met hun teamgenoot een grote bal van het veld te duwen.

De spelers leren een punt uit de lucht te spelen van achter de servicelijn, en na elk punt meteen naar voren te sprinten.

De spelers leren de bal van achteruit diep te spelen, tot vlak voor de baseline aan de overkant, en samen met hun partner zulke ballen te verzamelen.

De spelers leren de bal met hun racket te beheersen: ze vangen hem uit de lucht op, houden hem een paar keer omhoog met wat draai, en spelen hem dan pas terug.

De spelers leren de bal met onderspin onder controle te houden terwijl ze naar voren lopen, en hem vlak bij het net zacht over het net te leggen.

De spelers leren als team een punt van achteruit lang vol te houden, en na elke slag meteen plaats te maken voor hun teamgenoot.

De speler vooraan leert in te schatten waar een passeerbal naartoe gaat en daar vroeg op te reageren, en de speler achteraan leert op een korte, hoge bal in te lopen en de speler vooraan te passeren.

De spelers leren onder druk gewone punten met opslag te spelen en het verloop van een game naar zich toe te trekken, als server en als ontvanger.

De spelers leren een bal uit de lucht te nemen met een kort, vast racket, zowel op een harde bal van ver als op een zachte, lage bal van dichtbij, en die bal precies te plaatsen.

De spelers leren met een sprongetje op het juiste moment in balans te landen, zodra de tegenstander raakt, en van daaruit snel van richting te veranderen.

De spelers leren in een punt van achteruit diep te blijven spelen, een korte bal op tijd te herkennen, en daarna vanuit een goede plek vooraan het veld af te sluiten.

De spelers leren met snelle, kleine passen bij de bal te komen, en na dat voetenwerk toch in balans te slaan.

De speler vooraan leert zijn ballen uit de lucht kort en schuin te plaatsen, weg van zijn tegenstanders, en de spelers achteraan leren samen het veld te dekken tegen die ballen.

De speler achteraan leert tegen twee tegenstanders vooraan een opening te vinden, met een passeerbal of een lob, en de spelers vooraan leren samen het net af te sluiten.

De spelers leren een hoge bal over hun hoofd snel te achterhalen, zich om te draaien en de bal met controle hoog en ver terug te spelen.

De speler aan de kant van blauw leert in een schuin punt een korte bal te herkennen, er recht op aan te gaan en vooraan af te maken, en de anderen leren hem van achteruit te passeren.

De spelers leren na een opslag meteen naar voren te komen en de eerste bal uit de lucht te nemen, en de ontvanger leert die speler met zijn return onder druk te zetten.

De spelers leren van achteruit schuin een punt op te bouwen en vol te houden, en als ploeg elkaar aan te moedigen en elkaars punten mee te tellen.

De spelers leren bewust een andere manier van punten opbouwen uit te proberen, en ontdekken welke ervan ze in een wedstrijd kunnen gebruiken.

De spelers leren na een verloren punt meteen opnieuw te beginnen: vanaf het net een hoge bal achterna lopen en het volgende punt toch nog opbouwen.

De spelers leren een open ruimte te zien en er gericht naar te spelen, en de verdediger leert vanuit een slechte positie snel terug naar het midden te komen.

De spelers leren een korte bal vroeg te nemen, met die bal naar voren te komen en het punt vooraan af te maken.

De spelers leren lang en onder controle ballen uit de lucht te spelen tegen een speler achteraan, en de speler achteraan leert de bal zo terug te spelen dat zijn partner hem kan nemen.

De speler vooraan leert de juiste bal te kiezen om zacht en kort uit de lucht te spelen, of scherp schuin weg, in plaats van diep terug naar de speler achteraan.

De spelers leren in een punt van achteruit hun kracht te doseren: hard genoeg om op tempo te blijven, maar met genoeg marge om de bal in het veld te houden.

De speler vooraan leert na een sprint snel terug in positie te komen en schuin het net te verdedigen tegen passeerballen en lobs, en de speler achteraan leert de open ruimte te benutten met een passeerbal of lob.

De spelers leren een hoge bal met een vaste richting diep te plaatsen, zowel schuin als recht, en de bal van de ander hoog en diep terug te spelen.

De speler aan de zijkant leert te herkennen wanneer hij de bal van zijn tegenstander kan onderscheppen, en de spelers achteraan leren ondertussen het punt geduldig op te bouwen.

De spelers leren met hun forehand een lange schuine reeks op te bouwen en na elke slag meteen ruimte te maken voor hun partner.

De spelers vooraan leren hun bal uit de lucht vast en gecontroleerd in het veld te houden, ook als ze om de beurt slaan, en de spelers achteraan leren een bal vooraan goed aan te spelen.

De spelers leren op elk moment klaar te staan om een punt over te nemen en meteen hun eerste bal goed te raken.

De aanvaller leert een hoge, trage bal met een volle zwaai uit de lucht te nemen en meteen door te lopen naar voren; de verdediger leert vanaf de baseline het punt te verdedigen.

De spelers leren hun bal bewust diep te spelen en daarna het punt met dezelfde diepte uit te spelen.

De speler vooraan leert met kleine passen de bal van de speler achteraan te volgen en hem vast uit de lucht te spelen; de speler achteraan leert lopend recht langs de lijn te slaan en klaar te staan als het punt echt begint.

De serveerder leert voor elk punt een plan te kiezen en dat plan met zijn opslag en zijn volgende slagen ook echt uit te voeren.

De spelers leren de bal heel zacht en gecontroleerd te raken, van dichtbij en met weinig zwaai.

De speler vooraan leert de bal te lezen en een passeerbal af te snijden; de spelers achteraan leren laag langs of hoog over hem heen te spelen.

De speler leert na een opslag die hij zelf koos meteen het punt op te bouwen, en de speler aan de overkant leert elke soort opslag goed terug te slaan.

De spelers vooraan leren dat een bal die veilig terug in het veld gaat meer waard is dan een riskante winner, en dat elke fout uit de lucht hun partner alleen laat staan; wie achteraan staat, leert geduldig tegen twee spelers vooraan te spelen.

De spelers leren dat een punt afmaken bij het net loont, en dat een bal in het net de duurste fout is: wie naar voren komt, doet dat op het goede moment en speelt de bal over het net.

De spelers leren dat een harde bal op heuphoogte een cadeau is voor wie vooraan staat, en dat een lage bal aan zijn voeten hem dwingt omhoog te spelen; wie naar voren loopt, leert elke hoogte uit de lucht te nemen.

De spelers leren hun voeten te gebruiken om rond de bal te lopen en hun sterkste slag te kiezen; wie zijn backhand gebruikt, voelt meteen wat het kost.

Wie serveert, leert vooruit te denken: door de helft te kiezen waar de terugslag niet mag komen, weet hij waar de bal terugkomt en kan hij zijn volgende slag al klaarzetten.

De spelers leren met een zachte hand de bal te vangen op hun snaren en hem gecontroleerd terug te spelen; het gevoel in de vingers bepaalt hoe ver en hoe hoog de bal gaat.

De spelers leren dat de plek van hun opslag bepaalt waar de bal terugkomt, en zo al bij de opslag hun tweede slag te plannen.

Wie achteraan staat, leert een hoge, diepe bal te verwerken door ver achteruit te gaan; wie aanspeelt, leert met een hoge bal diep de tegenstander naar achter te duwen en dan naar voren te komen.

De spelers leren de basispatronen van achteraan: vanuit de brede zone schuin spelen, en vanuit het midden vrij kiezen; wie ver buiten staat en langs de lijn speelt, krijgt de bal van zich weg terug.

Wie uitdaagt, leert een korte bal aan te vallen, naar voren te komen en daarna een hoge bal boven het hoofd af te maken; de twee vooraan leren samen het net te verdedigen.

De spelers leren samen een lange, foutloze schuine reeks op te bouwen. Ze ervaren dat rustig en veilig spelen de groep meer oplevert dan één harde slag.

De spelers leren de kracht uit een bal te halen door hun racketblad te openen en hun voeten te blijven bewegen. Wie een bal eerst zacht kan opvangen, heeft hem daarna volledig onder controle.

De spelers leren vastheid van achteruit op te bouwen door samen lange reeksen te spelen met zo weinig mogelijk ballen. Wie zijn ritme vindt en rustig blijft, scoort het meest.

De spelers leren passeren vanaf de baseline en volleyen aan het net, want één speler achteraan redt zich alleen tegen twee netspelers. Zo krijgt iedereen in korte tijd heel veel passeerslagen en volleys te spelen.

De spelers leren bij een belangrijk punt net zo te spelen als bij een gewoon punt. Omdat de waarde van elk punt wisselt, staat er telkens druk op de bal.

De spelers leren rustig te blijven als een punt veel waard is, en een reeks van de ander te breken. Wie punten na elkaar wint, ziet elk volgend punt meer waard worden, en dus groeit de druk met elke bal.

De spelers leren een punt bewust op te bouwen: eerst een vaste volgorde van richtingen, pas daarna vrij. Zo ervaren ze wanneer schuin veilig is en wanneer het loont om de bal langs de lijn te verleggen, en dat vastheid in de eerste slagen het punt beslist.

De spelers leren als alleenspeler vanaf de baseline zo vaak mogelijk een goede bal in het veld te krijgen tegen twee spelers. Omdat een bal in het net zwaarder telt dan een bal uit, ervaren ze welke fouten het duurst zijn.

De spelers leren een tempo te vinden waarmee ze vanaf de baseline lang en vast kunnen rallyen. Twee minuten lang tellen ze samen elke goede bal tegen de klok, wat een eerlijk beeld geeft van hun niveau.

De spelers leren hun fouten te beperken en vooral de dure te vermijden. Niet elke fout kost evenveel: een bal in het net is erger dan een bal die net te lang is.

De spelers leren onder druk vanaf de baseline constant te blijven spelen, ook als de tegenstander twee spelers naast elkaar heeft staan. De uitdager leert geduldig te bouwen tot er een opening komt.

De spelers leren lange, constante punten te spelen op normaal tempo zonder fouten. Ze spelen samen tegen het scorebord in plaats van tegen elkaar.

De spelers leren vanaf de baseline constant te spelen tot een vast aantal ballen na elkaar. Ze ontdekken dat geduld een reeks oplevert die ze stap voor stap opbouwen.

De spelers leren vanaf de baseline verschillende speelstijlen uit te proberen: aanvallend, constant, met slice en met hoge, trage ballen. Omdat het geen echte wedstrijd is, durven ze nieuwe slagen te proberen.

De spelers leren minder fouten te maken en niet te hard te slaan in een rally vanaf de baseline. Elke fout kost een sprintje, dus constant spelen loont.

De spelers leren hun grondslagen met verschillende lengtes te spelen. Ze ontdekken hoe een korte, een middellange en een diepe bal elk iets anders vragen van hun slag.

De spelers leren elke opslag en elke return met een vooraf gekozen doel te spelen. Ze denken na over waar hun eerste bal het meeste oplevert.

De spelers leren schuin over het veld diep te spelen vanaf de baseline. Ze groeven hun grondslagen in een vast diagonaal patroon.

De spelers leren in de servicevakken met gevoel en precisie te spelen. Met een continentale greep en slice leren ze de bal zacht en laag te houden.

De spelers leren kracht en controle in evenwicht te houden in een lange rally vanaf de baseline. Samen met hun partner maken ze van een consistentieoefening een wedstrijd.

De spelers leren een rally vanaf de baseline zo lang mogelijk in leven te houden, ook als er halverwege andere spelers instappen. Ze leren een bal te spelen die de volgende speler makkelijk kan overnemen.

De spelers leren constant en toch met genoeg tempo vanaf de baseline te spelen. Ze zoeken het evenwicht tussen veilig spelen en snel genoeg tot een reeks komen.

De spelers leren met gevoel een korte bal te spelen, als voorbereiding op een goede dropshot. Na elke slag leren ze snel te herstellen naar achteren.

De spelers leren kiezen tussen een veilige diagonale bal en een riskantere bal langs de lijn. Een touw boven het net laat zien waar de marge het grootst is.

De spelers leren verschillende soorten slagen te spelen: een drive, een hoge bal, een dropshot, zware topspin, een lob en een slice. Door een bal na te doen ontdekken ze welke slagen ze nog missen.

De spelers leren aan het net standhouden tegen harde, aanvallende ballen. Ze leren verdedigen met korte bewegingen en een stevig racket.

De spelers leren samen een punt op te bouwen: een korte bal, een aanval langs de lijn en een volley. Aan het net leren ze kiezen tussen een diepe volley en een korte volley.

De spelers leren de bal bewust naar een bepaald deel van het veld te sturen. Ze ontdekken hoe raakpunt, stand van het racketblad, snelheid en grootte van de zwaai bepalen waar de bal landt.

De spelers leren snel te schakelen tussen enkelspel en dubbelspel. Samen met een ploegmaat spelen ze punten in beide vormen.

De spelers leren een passeerslag te spelen tegen twee spelers aan het net. Ze ontdekken dat een lage, dippende bal meer oplevert dan een harde slag.

De spelers durven na de eerste bal meteen naar het net te komen en leren de lastige eerste volley in de aanval te spelen. Doordat er veel punten na elkaar gespeeld worden, komt elke speler tientallen keren naar voren.

De spelers leren hoeveel druk ze in elke fase van het punt zetten: van een versnelde aanvallende bal over de volley tot de smash. Het verdedigende team oefent tegelijk het opvangen en terugdrukken van die aanval.

Het uitdagende team leert na een bal van de baseline samen naar het net op te rukken en het punt van voren af te maken. Drie ballen na elkaar zorgen voor druk, want alleen wie de laatste bal wint, mag de kampioenen van hun plaats verdrijven.

De spelers aan het net krijgen in korte tijd heel veel hoge ballen te verwerken en leren onder druk een smash af te werken.

De spelers leren de dropshot gebruiken waarvoor hij in het dubbelspel bedoeld is: de tegenstanders van hun baseline weglokken en naar het net trekken. Daarna volgen een volley en een lob, zodat het hele punt realistisch blijft.

Vier spelers staan tegelijk aan het net en spelen het punt enkel met volleys uit. Ze trainen snelle reflexen en leren na elke volley verder naar het net te sluiten.

De spelers leren hun volley te controleren in plaats van ernaar te zwaaien. De bal gaat in een zigzag over het net van speler naar speler, tot de laatste speler hem vangt.

De spelers leren volleren zoals het in een echte dubbelpartij gebeurt: in beweging, terwijl ze door het niemandsland naar het net komen. Alle vier de spelers rukken tegelijk op.

De spelers leren te wachten tot de lob vertrekt, dan onverwacht naar het net te stormen en de lob uit de lucht te onderscheppen. Zo hebben ze een antwoord klaar tegen tegenstanders die achteraan blijven staan en vooral lobben.

Het team tegenover de trainer leert zich te verdedigen tegen een lob over de netspeler. De partner neemt de bal over en speelt een hoge backhandvolley, een slag die in wedstrijden geregeld opduikt maar op training bijna nooit apart aan bod komt.

Gevorderde spelers werken samen in plaats van tegen elkaar en houden de bal zo lang mogelijk zacht en gecontroleerd in de lucht, eerst kort aan het net en daarna met lobvolleys vanaf de servicelijn.

In dit wedstrijdspel moeten de spelers snel reageren en geconcentreerd blijven: in één moment moeten ze omschakelen van een enkelrally achteraan naar een dubbelpunt aan het net.

De spelers leren de basisregel van het dubbelspel toepassen: wie aan het net staat, speelt naar de tegenstander aan het net, en wie achteraan staat, speelt diep. Elke speler leert zo zijn taak kennen in de opstelling na de service.

EΓ©n baselinespeler staat tegenover twee netspelers en leert in volle loop een passeerslag te spelen. Tegelijk trainen de netspelers hun volleys en het samen afdekken van het net.

De spelers moeten veel bewegen, en de netspelers leren dat ze meer ballen mogen gaan halen. De baselinespelers moeten de bal weghouden van de netspeler die in het midden staat.

Wie aan het net uit zijn plek wordt getrokken, moet snel terug in positie komen. De baselinespelers kijken waar de ruimte openvalt en spelen er gericht naartoe.

Een koppel begint telkens in een lastige situatie en moet zich naar het net werken: eerst een lob achternalopen, dan vanaf de baseline spelen en tot slot aanvallend volleyen tegen het netkoppel.

Volleyen aan hoog tempo vraagt snelle handen en volle aandacht. Wie een fout maakt, moet even weg van zijn plek, en zijn partner verdedigt die tijd alleen.

Tegen een koppel aan het net win je zelden met kracht. De baselinespelers ontdekken dat een lob of een lage bal naar de voeten meer punten oplevert.

Vanaf de baseline zo lang mogelijk regelmatig spelen en na elke slag snel plaatsmaken voor je partner, zoals bij rondjes rond de pingpongtafel.

EΓ©n speler komt na een aanvalsbal naar het net en moet daar in zijn eentje standhouden tegen twee spelers achteraan. Hij leert snel zijn plaats kiezen en de volley afwerken; het team achteraan oefent passeerslagen en lobs.

De partner van de terugslager leert herkennen wanneer de opslaggever onderweg naar het net een lage bal moet spelen, en kiest juist dan het moment om alsnog over te steken en de volley te onderscheppen. De opslaggever oefent opstormen en een gecontroleerde lage volley cross.

Drie spelers houden samen een snelle volleywisseling gaande, met een rustige racketcontrole en vlugge voeten. Rood staat alleen aan het net en krijgt elke bal. Blauw zoekt niet de winnende passeerslag maar laat rood zo veel mogelijk volleyen, en grijs blijft aan het net stevig staan en reageert op reflex.

De spelers leren snel schakelen tussen net en baseline en scherp volleyen. Alleen het team dat aan het net begint, kan punten maken; wie het punt verliest, moet snel terug naar achteren.

Wie van achteraan speelt, leert de bal beheerst en betrouwbaar over het net te houden. Iedereen speelt samen aan één wisseling en probeert een record neer te zetten, zodat niemand nog zin heeft om de bal hard weg te slaan.

Het team achteraan leert binnen te geraken tegen een team dat al stevig aan het net staat. Met een lage aanvalsbal, een volleyduel en een smash werken ze zich in drie ballen naar voren.

Op de ene helft komt blauw na een korte lob naar voren en maakt hij zijn punt aan het net af tegen geel, met de trainer als aanspeler. Op de andere helft volleyen grijs en rood ondertussen rustig en gecontroleerd met elkaar. Zo oefent iedereen afwisselend aanvallend en gecontroleerd volleyen.

Blauw en grijs vallen drie ballen na elkaar aan tegen het vaste team aan de overkant. Wie de meeste punten haalt, mag naar de overkant: zo moet iedereen zijn plaats daar verdienen.

Blauw en grijs oefenen hun passeerslagen tegen één netspeler. Rood staat alleen aan het net en moet elke moeilijke bal zien te halen.

Twee spelers aan het net nemen het op tegen twee spelers achteraan. Het netteam mag blijven zolang het punten wint; wie een punt weggeeft in zijn helft, moet zijn plaats afstaan.

Heb je het netkoppel met een lob naar achter gestuurd, dan kom je zelf naar voren: dat vergeten veel dubbelspelers. Het baselinekoppel oefent ook hoe het zover komt: eerst laag en kort, daarna de lob.

Alleen op de baseline tegen twee netspelers moet blauw blijven doorbijten. De netspelers krijgen ondertussen een hoop volleys te verwerken.

Grijs staat alleen aan het net tegen twee baselinespelers en mag nooit opgeven. Ook als de vermoeidheid toeslaat, moet zijn volleytechniek overeind blijven.

Hier draait het om ballen die net buiten het bereik van de tegenstander vallen, zowel bij het aanspelen als tijdens het punt. De netspelers leren zich te redden met lastige, onvoorspelbare ballen.

De aanvaller moet zijn plaats aan het net verdienen: pas als hij een punt vanaf de baseline wint, mag hij aan het net punten gaan scoren.

Drie ballen na elkaar, met als eerste een lastige lage bal op de veters. Daarna volgen een lage volley en een smash, en elke bal wordt een volledig punt.

Aanvallend spelen aan het net hangt meer af van je plaats dan van je kracht. Het netkoppel komt dichter bij het net en zoekt hoeken en stopvolleys.

Een koppel aan het net probeert de kampioenen op de baseline van hun plek te stoten. Omdat de laatste bal vaak beslist, loopt de spanning snel op.

Blauw speelt passeerslag na passeerslag tegen twee netspelers, ook als hij al moe is. Zo werkt hij aan zijn conditie, zijn wilskracht en zijn techniek onder druk.

Het netkoppel moet scherp blijven, want wie een fout maakt, moet terug naar achter. Die speler leert snel weer naar voren te komen met een aanvalsslag.

Elk koppel moet zijn plek aan het net verdienen. Zo leren de spelers spelen vanop de baseline, vanop de servicelijn en aan het net, en ook tegen een koppel dat op een andere plek staat.

Voortdurend wisselen tussen aanvallen aan het net en verdedigen van achteraan, en dat aan een hoog tempo. Wie snel naar voren of naar achteren loopt, staat klaar voor de volgende bal.

Een koppel moet eerst van achteraan een punt winnen voor het naar het net mag en kan scoren. Wie vanop de baseline niet geduldig en vast speelt, komt nooit aan scoren toe.

Twee netspelers leren samen één tegenstander onder druk zetten door al hun volleys naar hem te spelen. Wie op de hete stoel zit, leert snel reageren en zich aan het net verdedigen.

Snel opwarmen en leren scoren met schuine ballen en gevoel in plaats van kracht. Door het doorschuiven blijft iedereen in beweging.

Het netkoppel leert smashes opvangen die recht op hen af komen. Het baselinekoppel moet drie keer na elkaar winnen om zelf aan het net te mogen.

Leren knokken voor elk punt en een smash verdedigen. Omdat een verdedigd punt dubbel telt, loont het om niets op te geven.

Wie het snelst reageert, verdient de bal voor zijn koppel. Daarna leren de spelers op hun achterste voet laden en vandaar krachtig naar voren slaan.

De spelers proberen in een gewone dubbelpartij eens een andere manier van spelen uit. Wat goed werkt, kunnen ze daarna in hun eigen spel gebruiken.

Samen opwarmen en veel ballen na elkaar in het veld houden. Elk koppel werkt samen en schuift op tot het met zachte volleys vlak bij het net staat.

Twee partners leren samen een lob over de netspeler af te dekken: de speler achteraan haalt de bal, de netspeler schuift naar de andere kant en zakt terug. Omdat de wisseling zo lang mogelijk moet blijven duren, vraagt dit veel balcontrole van iedereen.

Veel spelers durven aan het net nooit over te steken. Hier moet de netspeler het bij elke eerste bal doen, zodat hij voelt wanneer het moment goed is en hoe hij schuin naar voren moet gaan om de bal te onderscheppen.

De netspeler ervaart dat hard doorslaan tegen twee spelers achteraan zelden loont. Een scherp schuine of een zachte, korte volley brengt de bal veel vaker buiten bereik.

Het netteam krijgt telkens een lastige bal aan de voeten en moet die met een halfvolley rustig terugbrengen. Blauw en grijs merken intussen dat een netspeler die de bal laag bij de grond moet raken bijna altijd zacht en kort terugspeelt, en leren daarop in te spelen.

Het team dat ontvangt, leert een tweede opslag met een slice terug te spelen en meteen naar het net op te stormen. Zo zetten ze het team dat serveert meteen onder druk.

Bij elk punt vertrekken alle vier van achter de baseline, dus moet elk team zich al volleyend een weg naar het net banen. De ontvangers leren intussen een terugslag te kiezen die hun eigen opmars makkelijker maakt.

Dubbelspelen zonder adempauze. Doordat er tussen de punten niet gerust wordt, passen er veel meer punten in dezelfde tijd en wordt de conditie mee getraind; de trainer merkt snel wie het in een lange partij moeilijk zou krijgen.

De vier spelers houden de bal eerst samen in het spel, en pas de trainer bepaalt met zijn fluitje wanneer er echt om het punt gespeeld wordt. Zo oefenen ze balcontrole, moeten ook spelers die liefst achteraan blijven naar het net, en leren ze een lobvolley te gebruiken tegen tegenstanders die kort op het net staan.

Een spel waarin snelle reflexen aan het net beslissen. Elk verloren punt kost het team een speler, en ook met één speler over kan een team nog terugvechten, waardoor elke ronde tot de laatste bal spannend blijft.

Telkens staan twee spelers schuin tegenover elkaar op een helft van het veld. Wie serveert, moet zijn opslag volgen tot aan het net, zodat elke speler het opstormen na de opslag in echte punten oefent; wie terugslaat, kiest zelf hoe hij dat beantwoordt.

Omdat de spelers de bal met hun voeten spelen in plaats van met het racket, moeten ze voortdurend kleine pasjes zetten en zich goed achter de bal plaatsen. Zo werken ze speels aan hun voetenwerk, overleggen ze veel met hun partner en raken ze vertrouwd met de telling van een dubbel.

De spelers leren na elke slag snel van plaats te wisselen met hun partner. Tegelijk leren ze zien waar de tegenstanders te laat komen en daar naartoe spelen.

De spelers leren de bal onder controle te houden in een vast patroon met een grondslag, een aanvalsbal en een volley. Zo oefenen ze ook het naar het net komen na een eigen slag.

De spelers leren door het midden te spelen en durven vaker te onderscheppen aan het net. Omdat de dubbelgangen niet meetellen, gaan de meeste ballen door het midden.

De spelers leren een korte bal aan te vallen en daarna één tegenstander apart te zetten. De twee spelers op de baseline leren diep te spelen, zodat de alleenspeler niet naar het net kan.

De netspelers zijn voortdurend onderweg en moeten toch elke volley diep en beheerst terugspelen. De baselinespelers werken intussen aan lange rally's zonder fouten.

Wie zijn volleys diep houdt, laat de tegenstanders geen kans om naar het net te komen. Valt een volley toch kort, dan leren de spelers die kans meteen te grijpen.

Een tegenstander die uit positie staat, is een punt voor het grijpen, als je het tenminste opmerkt. Daarom leren de spelers tijdens het punt naar de overkant te kijken en hun slag te kiezen naar wie het slechtst staat.

De terugslager ontdekt dat een lage return de volleyer meer last bezorgt dan een harde. De opslaggever leert zijn opslag zo te kiezen dat hij ver genoeg naar voren raakt om zijn eerste volley in de lucht te nemen.

Wie kort speelt, geeft de tegenstanders het net cadeau; daarom leren de spelers hun baselineballen diep te houden. Krijgen ze zelf een korte bal, dan leren ze die om te zetten in een aanval en het punt aan het net af te maken.

De spelers leren op heel korte afstand met snelle, korte volleys te reageren. Ze leren ook de bal diep te houden om de tegenstanders achteruit te duwen, en bij de eerste kans samen naar het net te komen.

De spelers leren hun volleys te controleren en de bal precies op het racket van een ander terug te leggen. Ze werken daarbij met zijn vieren samen om de bal zo lang mogelijk in de lucht te houden.

Een bal die verloren lijkt, is pas verloren als hij twee keer gebotst heeft; daarom leren de spelers hier geen enkele bal op te geven. Ze leren ook snel herstellen, want de volgende bal komt eraan voor ze weer op hun plek staan.

De alleenspeler leert lang te blijven lopen en de bal diep in het veld te houden. Het koppel leert van achteraan geduldig een punt op te bouwen en de alleenspeler heen en weer te laten lopen, in plaats van snel te willen afmaken.

Een speler die opslaat en naar het net komt, staat hier alleen tegen twee baselinespelers. Hij leert zijn opslag te volgen en daarna onder druk volley na volley te slaan, en het koppel leert hem van achteraan te passeren of te lobben.

De baselinespeler leert alles te halen en ook moe nog gericht te passeren. De netspeler leert zijn volleys beheerst en net buiten bereik te plaatsen in plaats van ze hard weg te slaan.

Het netkoppel leert punt na punt lastige ballen veilig terug te spelen, ook als de vermoeidheid toeslaat. Het koppel achteraan leert elk punt tegen het net af te dwingen, want alleen winnen houdt het op zijn plek.

Tegen een tegenstander die hoge, trage boogballen speelt, verlies je het initiatief als je ze laat botsen. De spelers leren zo'n bal vroeg uit de lucht te plukken met een aanvalsvolley en meteen het net in te nemen, wat ze ook in het enkelspel goed kunnen gebruiken.

De spelers leren een hoge bal onderweg naar het net vroeg uit de lucht te nemen en door te lopen. Ze leren daarna van dichtbij snel te reageren met korte reflexvolleys.

De netspeler leert actief ballen te onderscheppen in plaats van te wachten tot er een bij hem komt. De baselinespelers leren hun eigen netspeler te ontwijken en de netspeler aan de overkant te omzeilen.

Twee paren spelen elkaar heel zachte volleys toe en komen bij elke bal een stapje dichter bij het net, tot ze de bal samen tussen hun twee rackets vastklemmen. Hoe dichter ze bij elkaar staan, hoe kleiner en zachter de slag moet worden; zo groeit het gevoel in de hand aan het net.

Twee punten na elkaar die een heel ander antwoord vragen: eerst een korte bal waarop beide teams naar voren trekken, daarna een lob waarvoor het team dat net vooraan stond, moet omkeren. Wie de tegenstanders net over zich heen heeft zien rennen, wil graag doorstormen tot tegen het net; hier merken de spelers dat dat riskant is, omdat een team dat moet terugrennen vaak zelf met een lob antwoordt.

Een echte dubbelpartij, maar met een schuimbal en op het kleine veld tussen de twee servicelijnen. De trage bal en het kleine veld geven iedereen veel balcontacten, en ook beginners leren zo waar ze in een dubbel staan en hoe ze met hun partner samenwerken.

Twee teams spelen met een schuimbal op het kleine veld, en binnen een team slaan de partners om de beurt, zoals bij tafeltennis met twee aan één tafel. Wie geslagen heeft, moet meteen plaatsmaken voor zijn partner; zo leert iedereen bewegen na de slag en ruimte geven aan zijn ploegmaat.

EΓ©n netspeler moet twee ballen na elkaar winnen tegen een team dat van achteraan speelt: eerst een aanvalsvolley die hij zelf achternaloopt naar het net, daarna een volley of smash van aan het net. Hij leert zo een aanval afmaken, terwijl de twee achteraan oefenen om een eenzame netspeler te passeren of te lobben.

Twee punten na elkaar met een andere bedoeling. In het eerste werken de teams samen en tellen ze hoeveel volleys de netspelers halen; in het tweede wordt er echt gespeeld, om zoveel punten als er net volleys geteld werden. De netspelers leren zo volleyen met controle, en iedereen voelt de druk van een bal die veel waard is.

Een korte, drukke wedstrijd waarin beide teams zoveel mogelijk ballen tegen het achterhek van de tegenstanders proberen te krijgen, met precies één bots onderweg. De spelers leren hard en toch gecontroleerd slaan, en samen snel beslissen wie aanvalt en wie verdedigt.

Een team valt aan: na elke aanspeelbal stormen de aanvallers naar het net en proberen ze punten te scoren tegen de kampioenen achteraan. Pas na vijf gewonnen punten nemen ze de plaats van de kampioenen over. De aanvallers leren zo opstormen en afmaken, de kampioenen passeren en lobben onder druk. Een verloren punt kost de aanvallers niets van wat ze al bij elkaar gespeeld hebben, dus ze durven elke beurt opnieuw vol aan te vallen.

Een race naar het net beslist wie de smash krijgt. Het team dat als eerste het net aantikt, krijgt een lob, laat hem botsen en smasht; daarna wordt het punt uitgespeeld. Zo trainen de spelers hun reactiesnelheid, het snelle terugkeren onder een lob en de smash na de bots.

Telkens één speler speelt een bal aan, stormt naar het net en neemt het daar op tegen twee spelers achteraan, waarna hij van aan het net meteen een tweede punt speelt. De opstormer leert onderweg volleyen en vooraan afmaken, de twee achteraan leren hem passeren of lobben.

Een team van twee speelt van achteraan tegen één speler, die alleen de hele baseline moet verdedigen. De speler alleen leert lopen en de bal lang in het veld houden, het team van twee leert geduldig de open ruimte zoeken. De twee spelers aan de overkant nemen om beurten die zware taak op zich.

Twee tegen één met vaste richtingen: het team van twee mag alleen rechtdoor langs de lijn spelen, de speler alleen enkel cross. Zo slijpen beide kanten hun richting, en de speler alleen moet na elke bal de baseline over om de volgende te halen. De eerste minuten zijn om in te spelen, zonder telling; de punten komen pas daarna.

Opnieuw speelt een team van twee tegen één speler, met vaste richtingen: het team langs de lijn, de speler alleen enkel cross. Wie alleen staat, lijkt met die beperking benadeeld, maar een cross bal gaat over het laagste stuk van het net en heeft de langste weg in het veld. Na afloop blijkt vaak dat de spelers alleen verrassend veel punten pakten; dat cijfer overtuigt iedereen sneller dan uitleg om cross de gewone keuze te maken.

Een dubbel met één speler vooraan en één achteraan per team, met de aandacht op wat de netspelers doen zonder bal. Achteraan spelen de baselinespelers diep en cross; vooraan bewegen de netspelers tussen een rode stip op de servicelijn en een groene stip, hun lanceerplatform, en ze leren wanneer ze mogen vertrekken. Ideaal is één voor en één achter niet, maar in echte dubbels belanden spelers er geregeld in, en dan wil je weten hoe je die opstelling goed speelt. Met de trage oranje ballen blijft er bij elke slag tijd over om na te denken over je volgende stap.

Een snelle wisseloefening voor twee teams dicht bij het net. Wie een punt verliest, moet razendsnel naar de netpalen en terug, en krijgt meteen de volgende bal. De spelers leren zich na elke bal opnieuw te organiseren, en de trainer houdt hen scherp met steeds een andere aanspeelbal.

Een dubbel waarin alles mag, maar waarin de trainer met zijn aanspeelballen geregeld een situatie probeert te maken waarin de partners van kant moeten wisselen. Hoe vaker die situaties terugkomen, hoe vlotter de spelers ze herkennen.

Een volleyduel van vlak bij het net tussen een speler die onderschept en een speler die verdedigt, steeds cross. De onderschepper oefent zijn vertrek en zijn volley op het juiste moment, de verdediger zijn reactie op een bal die van dichtbij op hem afkomt.

Een gewoon dubbelpunt na een opslag, maar na elk punt ruilen de partners van plaats. Zo speelt iedereen afwisselend achteraan en aan het net, en moet elke speler zich na elk punt snel instellen op een nieuwe taak.

In dit dubbel heeft elke speler maar één wapen: binnen elk team is de ene speler aangewezen op slice, de snijder, en de andere op dropshots, de dropper. Elk team moet dus met twee beperkte spelers een punt opbouwen, en ook de tegenstanders hebben elk hun zwakke plek.

Twee uitdagers proberen de plaats van de kampioenen te veroveren in drie ballen: een dropshot, een lob over de uitdagers en een lob over de kampioenen. Zo komen de korte bal, de lob en het terugspelen van een lob na elkaar aan bod.

De spelers spelen eerst punten van achteruit, één tegen één op een helft van het veld, en serveren daarna elk tien keer naar het servicevak schuin tegenover hen. Wat ze in beide delen verdienen, tellen ze op met de punten van hun teamgenoot. De tekening toont het eerste deel: op elke helft gaat de bal heen en weer tussen de twee baselines.

De spelers leren een opslag en een return veilig in het veld te krijgen en het punt daarna van achteruit rustig op te bouwen, terwijl naast hen een tweede punt loopt. De tekening toont de twee opslagen, die elkaar in het midden kruisen, en de twee schuine speelvelden.

Twee spelers staan op een helft van het veld dicht bij elkaar en spelen de bal snel uit de lucht heen en weer. Daarna speelt de verliezer van achteraan een tweede punt tegen wie vooraan bleef. De tekening toont de vier spelers bij de servicelijn, de korte wissels uit de lucht, en hoe blauw naar zijn baseline loopt nadat hij het eerste punt verloor.

Het team vooraan krijgt een hoge lob van de trainer, laat hem botsen en slaat hem boven het hoofd terug; daarna krijgt het een harde bal en nog een lob. Het team achteraan probeert die punten te winnen; pakt het ook het laatste punt, dan ruilen de teams van plaats. De tekening toont de lob van de trainer, hoe grijs terugloopt, en zijn slag boven het hoofd naar de overkant.

Twee punten worden tegelijk van achteruit gespeeld, één tegen één op een helft van het veld. Zodra er één uit is, stopt het andere, en de trainer speelt een korte bal waarop alle vier naar voren komen en samen een punt in de servicevakken spelen. De tekening toont de twee punten van achteruit, de korte bal van de trainer en het speelveld van het punt in de servicevakken.

Vier spelers staan dicht bij het net en spelen twee schuine punten tegelijk, elk in twee servicevakken. Zodra een van die punten uit is, gaat het andere verder als een punt met alle vier, in de vier servicevakken. De tekening toont de vier spelers net achter hun servicelijn, de twee schuine punten die elkaar in het midden kruisen, en het speelveld van de vier servicevakken.

Het team vooraan leert punten af te maken tegen een team dat achteraan verdedigt; het team achteraan leert lang genoeg vol te houden om een fout uit te lokken. De tekening toont de bal van de trainer naar blauw, en een schuine bal van blauw naar de gang aan de overkant.

Twee teams staan aan de zijkant van het veld en lopen naar hun plaats als de trainer een schuine bal speelt; dan spelen ze een punt in de servicevakken. Na twee punten lopen ze naar de andere zijkant. De tekening toont de vier spelers buiten de enkelzijlijn, hoe ze naar hun plaats lopen, en de schuine bal van de trainer.

Twee spelers spelen de bal uit de lucht naar elkaar, zo lang mogelijk zonder dat hij botst, terwijl elk van hen een vaste looproute loopt: van een pion achteraan naar een plek vlak bij het net en dan naar een andere pion achteraan. De tekening toont op elke helft de twee pionnen aan elke kant, de plek bij het net, en de looproute van blauw.

Een speler achteraan krijgt een brede bal en speelt hem in volle loop langs of over een tegenstander die naar voren komt. Die tegenstander probeert de bal uit de lucht in het veld terug te spelen. Na die ene slag is het punt voorbij. De tekening toont de bal van de trainer, hoe blauw ernaartoe loopt en de bal langs de lijn speelt, en hoe rood naar voren komt.

Blauw krijgt een trage, zachte opslag en leert die verstandig te beantwoorden, met een van vier vaste antwoorden. Na zijn return komt hij naar het net voor een tweede bal. Om de beurt neemt elke speler die rol op zich.

Rood en geel hebben het net al ingenomen, en blauw en grijs moeten hen van daar verdrijven: blauw rukt op achter een korte bal, en samen met grijs speelt hij het punt uit. Zo groeit bij het aanvallende team het gevoel voor de lage bal die je tegen twee netspelers nodig hebt.

Twee teams spelen van achteraan tegen elkaar, met een beloning voor wie naar het net durft: één volley in het veld beslist het punt meteen en levert dubbel op.

Een dubbel met een voordeel voor de serveerder: hij begint niet op de baseline maar een stuk binnen het veld, en speelt elk punt opslag en volley. De returners werken ondertussen aan hun antwoord op een serveerder die dichterbij staat.

Een dubbel met een voordeel voor de returner: hij begint een stuk binnen het veld, terwijl de serveerder ruim achter de baseline staat en elk punt opslag en volley speelt. De returner gebruikt die voorsprong om na zijn return mee naar voren te gaan.

De netspeler op de plaats van blauw werkt aan zijn keuze: welke bal van de overkant hij onderschept, en hoe hij die afwerkt. Terwijl de twee anderen de bal cross heen en weer spelen, is hij de enige die punten kan scoren. Om de beurt neemt elke speler die plaats in.

Een dubbel van op de servicelijn waarin de meeste punten voor niets gespeeld worden. De enkele punten die wΓ©l tellen, wegen daardoor zwaar, en de spelers leren met die druk om te gaan.

Alle vier spelen van op de servicelijn uit de lucht, en het team op de plaatsen van blauw en grijs krijgt een extra opdracht: na elke slag ruilen die twee van plaats. Om de beurt krijgt elk team die opdracht.

Blauw staat er als returner alleen voor: de serveerders aan de overkant lossen elkaar na elk punt af, en elk van hen stormt achter zijn opslag naar het net. Om de beurt neemt elke speler die returnplaats in.

De returners leren een trage, korte opslag kort en gesneden terug te spelen en er meteen achteraan naar het net te gaan. Daarna verdedigen ze dat net tegen de speler op de serveerplaats, die het in zijn eentje tegen hen opneemt.

Een kort, zacht dubbel binnen de servicevakken, waarin wie een fout maakt naast het veld gaat staan. Kracht helpt hier niet: wie de bal zacht en schuin plaatst, houdt zijn team het langst op het veld, en het team dat als laatste nog iemand overheeft, wint de game.

Het aanvalsteam zoekt een weg tussen twee verdedigers door, tot in het doelvak achter hen, waar de trainer staat. Die weg ligt zelden meteen open: het aanvalsteam moet hem zelf maken.

Vier spelers op ongeveer een meter van het net spelen een punt met alleen zachte slagen. Na de eerste bal mag de bal de grond niet meer raken, dus wie zijn slag niet kan doseren, verliest het punt.

Het aanspelende team start tussen de baseline en de servicelijn, waar je na een aanval niet wilt blijven staan: het speelt zelf een lastige bal aan en sprint er meteen achteraan naar voren. Het verdedigende team op de servicelijn houdt zijn plaats zolang het niet twee keer na elkaar verliest.

Het punt start van achteraan, en alleen de trainer bepaalt met zijn fluitje wanneer alle vier naar voren moeten; niemand weet vooraf wanneer dat is. Zo krijgt ook wie liever achteraan blijft, elke reeks een stuk volleywerk.

Een speler staat alleen tegenover een team dat naar voren komt, tot halverwege tussen de servicelijn en het net. Het dubbelteam oefent zijn aanvalsbal, zijn volley en zijn smash; de eenling leert zich in zijn eentje te weren tegen twee netspelers. Om de beurt staat elk team aan de kant van de eenling.

Beide teams starten halverwege tussen de baseline en de servicelijn en lopen bij elke aanspeelbal samen naar voren, zodat de punten vooral uit snelle volleys bestaan. Omdat iedereen voor elke bal terug moet naar zijn stip, begint elke volley van ver, en dichter bij het net komen moet je telkens opnieuw verdienen.

Een team net voor de servicelijn speelt de bal aan naar een team achter de baseline, en één punt beslist wie er achteraan mag staan. De winnaars nemen de plaats achter de baseline in, de verliezers komen naar net voor de servicelijn en spelen de volgende bal aan.

Twee enkelduels naast elkaar, elk op een helft van het veld, van achter de baseline. Wie geduldig en diep blijft spelen, spaart snel punten; een korte bal nodigt de overkant uit om op te rukken en die spaarpot in één keer leeg te halen.

Elk punt begint met een aanspeelbal van achter de baseline, en de aanspeler stormt er meteen achteraan naar voren, tot halverwege tussen de servicelijn en het net. Het aanvallende team moet zijn punt dus vooraan beslissen, om beurten op elk van beide diagonalen.

Twee teams spelen in de servicevakken een kort, zacht dubbel waarin de partners om de beurt één bal slaan. Punten tellen, maar een bal op een van de rode schijven aan de overkant beslist meteen de hele game.

Wie op de baan komt, kan meteen aan de slag zonder uitleg: elk tweetal zoekt in de servicevakken een zo lang mogelijke reeks met alleen gesneden ballen. Het is een vaste opwarming die je elke training kunt herhalen.

Een punt begint hier zonder opslag: de serveerder speelt onderhands aan en moet meteen naar voren, zodat hij zijn eerste volley onderweg speelt. Na elke twee punten schuift iedereen een plaats op en krijgt hij een andere taak.

De aanloper oefent het naar voren komen achter een opslag, en daarna spelen alle vier een punt waarin iedereen al vooraan staat. In dat tweede punt kost elke bal in het net alle vier een opdrukoefening; zo wordt elke netfout meteen zichtbaar, en leert iedereen zijn volley met meer marge over de netband te sturen.

Het ene team staat halverwege tussen de servicelijn en het net, het andere net achter de servicelijn, een plek waar elke lage bal een probleem wordt. Het team achteraan mag daar niet weg en moet een oplossing vinden voor ballen bij de schoenen; het team vooraan leert die ballen zo te plaatsen dat de anderen achteraan vast blijven zitten.

Elk punt opent met een aanval in plaats van een rustige aanspeelbal. De aanspeler zoekt meteen een winnende bal en maakt daarachter de overstap van de baseline naar voren; zijn tegenstanders leren een lastige eerste bal toch terug in het veld te krijgen.

De serveerder krijgt een cijfer voor zijn hele aanval achter de opslag: de opslag zelf, drie volleys op weg naar voren en een smash. Omdat elke reeks er hetzelfde uitziet, toont zijn score achteraf precies bij welke van die vijf slagen zijn punten verloren gingen.

Een bal die schuin wegdraait naar de zijlijn wordt hier een wapen. Na de opslag mag niemand het dubbelveld uit, dus wie zo'n bal moet halen, riskeert met één pas te veel het punt; zo ontdekken de spelers hoeveel ruimte er langs de zijlijnen ligt.

Een gewoon dubbel, maar het team aan de kant van blauw mag tijdens het punt alleen stappen. Snelheid valt voor die twee weg, dus kiezen ze hun plaats op basis van wat de overkant van plan is: ze lezen de slag vroeg en staan klaar voor de bal aankomt.

Twee keer mag de bal de grond raken, bij de opslag en bij de return; daarna moet alles uit de lucht. Een bal die aan jouw kant botst, kost het punt, dus wie achteraan blijft wachten, staat meteen achter; het team dat eerst samen vooraan staat, heeft de overhand.

Hier is een harde return niets waard. Wie wil scoren, legt de bal kort en schuin weg, vlak achter het net in het vak voor de serveerder, die dan van achter zijn baseline helemaal naar voren moet, en ontdekt zo hoeveel een rustige return kan opleveren.

De eerste bal van het punt beslist hier al veel. Het netteam kijkt waar die bal landt en hoe de speler achteraan erheen moet lopen, en kiest op basis daarvan zijn plaats nog voor de tweede slag vertrekt.

Elk punt start met beide teams tegen het net, terwijl de bal al over één team heen vliegt. Dat team moet omdraaien, de bal na de bots toch terugkrijgen en zich daarna weer naar voren werken; het andere team leert zo'n noodbal af te maken.

Twee aanvallers serveren van dichtbij en stormen meteen naar voren, en het team achteraan moet zijn plaats houden. Dat team leert de bal vroeg en met een korte zwaai terug te blokken en de aanvallers daarna met lage ballen en lobs weer achteruit te dwingen.

Het aanvallende team krijgt een lob, laat hem botsen en werkt hem af met een smash, terwijl de partner eerst de baseline moet aantikken. Zo leert het team aan de overkant een smash te verdedigen die van ver komt, en het aanvallende team leert een smash na de bots in een punt te gebruiken.

EΓ©n speler verdedigt alleen het hele veld tegen een team van twee, en iedereen speelt vanaf de baseline. Wie alleen staat, leert met diepe ballen en goede plaatsing overeind te blijven; het team leert dat met twee de hoeken beter bereikbaar zijn.

Het team achteraan moet het punt openen met een lob over twee netspelers die net vooraan bij de middenband staan. Het baselineteam merkt hoeveel punten een lob oplevert, en het netteam moet meteen omdraaien, terugrennen en de bal toch nog over het net krijgen.

Twee spelers spelen telkens één punt in twee servicevakken, met alleen zachte ballen, en wie verliest, maakt plaats voor de volgende. In zo'n klein veld wint niet de snelste bal, maar de trage, lage bal die wegdraait naar een plek waar de tegenspeler niet staat.

Volley en grondslag worden hier samenwerking: hoe langer de bal in het veld blijft, hoe beter. Omdat beide spelers na elke slag opschuiven, komt de bal telkens uit een andere hoek, zodat de netspeler zijn racketblad steeds anders moet zetten om de bal bij zijn partner te krijgen.

Smash en lob worden hier samenwerking: hoe langer de bal in het veld blijft, hoe beter. De speler achteraan leert een smash op te vangen en hoog terug te sturen, de netspeler leert zijn smash te doseren, en omdat beide na elke slag opschuiven, komt elke bal uit een andere hoek.

Wie vlak op het net af komt, laat ruimte achter zich. Elke speler oefent hier twee dingen tegelijk: zelf zo dicht mogelijk naar voren schuiven, en bij een tegenstander die al te dicht staat de bal zacht over zijn hoofd tillen zonder hem eerst te laten botsen.

Een netspeler die de bal laag, hoog of zelfs boven zijn hoofd op zich af krijgt, moet toch iets terugbrengen. Hier staat hij bij elke bal een stap verder van het net, zodat hij merkt hoe zijn verdediging verandert als hij meer of minder tijd heeft.

Elke speler leert vooraf in te schatten welke bal hij kan afmaken. Wie dat luidop aankondigt en waarmaakt, wint dubbel; wie zich vergist, geeft dubbel weg. Zo worden de spelers kieskeurig in hun aanvallen.

De punten volgen elkaar snel op en de plaats van elk team hangt af van het vorige punt. Zo moet iedereen voortdurend van achteraan naar voren of omgekeerd, en worden juist de slagen onderweg, half in en half uit de lucht, getraind.

Een opwarming dicht bij elkaar die toch volwaardige slagen vraagt. Met een zachte schuimbal kan iedereen op korte afstand voluit zwaaien, zodat de spieren echt warm worden en de slag dezelfde blijft als later achteraan.

De netspeler leert wanneer hij vertrekt om een schuine bal af te snoepen: niet zo vroeg dat de overkant hem ziet komen, en niet zo laat dat de bal al voorbij is. Hij gaat daarbij schuin naar voren, richting de middenband, en niet alleen opzij.

Twee spelers proberen samen de bal lang in de lucht te houden. Dat lukt alleen met rustige, iets opwaartse volleys; wie hard naar beneden slaat, maakt de reeks kapot. Zo leren de spelers hun volley te doseren.

Volleys van ver én van dichtbij in één ronde. Een volley van halverwege tussen de baseline en de servicelijn moet diep en veilig, een volley op de servicelijn mag scherper; wie beide goed kiest, verovert of houdt de kampioensplaats.

Een dubbel waarin je de bal eerst aan je partner mag doorgeven. Dat vraagt overleg en snelle beslissingen: geef ik hem door aan wie beter staat, of sla ik zelf? Het is een speelse afsluiter die de samenwerking aanscherpt.

Twee schuine duels met opslag en volley lopen tegelijk, rustig en samen. Pas als één bal stilvalt, wordt de andere een echt punt met vier. Zo moeten de spelers plots omschakelen van samenwerken naar winnen, vlak bij het net.

De eerste bal van elke game levert drie punten op. Daardoor hangt er veel af van één slag, en oefenen de spelers om op dat moment een veilige keuze te maken en met marge te spelen, zowel bij hun eigen opslag als bij de return.

Een punt telt hier pas als de bal eerst een aantal slagen in het veld blijft. Zo leren de spelers een veilige slag kiezen zolang dat nodig is, en pas daarna versnellen. Per fase zijn er minder slagen nodig, waardoor de punten steeds meer op een echte wedstrijd lijken.

De plaatsen op het veld wisselen hier na elk punt: soms staan alle vier achteraan, soms staat één team vooraan tegen een team achteraan of vooraan. Een gewonnen punt geeft je team de volgende bal en de plaats vooraan, en elke bal die je aanspeelt, maakt je mand lichter.

Elk team heeft een sluiper die op het juiste moment naar voren glipt en de volgende bal uit de lucht wegpikt. Het beste moment komt na een eigen hoge, diepe bal die de overkant ver achter de baseline dwingt; de spelers leren zo'n bal bewust op te bouwen en het moment te zien.

De speler achteraan leert zijn passeerslag zo laag te houden dat de volleyspeler hem onder de hoogte van de netrand moet raken. Door het luide roepen hoort hij bij elke bal hoe laag hij echt speelde, en kan hij zijn slag meteen bijsturen.

Hier speelt de groep samen één lange reeks. Achteraan speel je de bal zo dat de volley makkelijk wordt, vooraan speel je hem rustig en diep terug, en aan de overkant wissel je na elke slag van plaats zonder je partner te hinderen.

De drie spelers zonder opslag vertrekken bij de opgooi van de serveerder en moeten zo snel mogelijk klaarstaan op hun gewone plaats. Door te wisselen oefent elke speler dat vanaf elke plaats.

Wie overlobd wordt, geeft het punt nog niet op: hij loopt terug, laat de bal botsen en slaat hem dan alsnog stevig weg. Het andere team leert intussen de lege plaats vooraan te nemen en op tijd stil te staan voor die smash komt.

De netspeler aan de overkant leert zijn aanval te kiezen op basis van één ding: hoe hoog de serveerder zijn eerste volley raakt. Zo gaat hij alleen naar voren als de kans echt groot is.

EΓ©n speler vangt hier elke bal op en verdeelt ze over twee kanten. Wie op de plaats van rood staat, oefent een korte, gedoseerde volley die de reeks verlengt, terwijl blauw en grijs hem telkens een speelbare bal geven.

De spelers oefenen drie overgangen na elkaar: een lob achterna lopen en hoog terugspelen, vanaf de baseline een punt opbouwen tegen twee netspelers, en een hoge, trage bal uit de lucht nemen om zelf vooraan te komen. Het netteam oefent intussen snel terug te komen naar zijn plaats nadat het het net heeft aangeraakt.

Het netteam oefent een hoge lob eerst te laten botsen en hem daarna met een gecontroleerde smash weg te slaan. Het team achteraan oefent na elk punt snel van plaats te ruilen en zich klaar te zetten voor de smash.

Wie achteraan staat, oefent naar een korte bal te sprinten en hem met een lob over twee netspelers te spelen. Wie vooraan bij de netband begint, oefent pas te vertrekken op het juiste moment en dan de lob op te vangen.

De spelers oefenen een korte bal zelf kort terug te spelen, en daarna punten op te bouwen vanuit een zachte en vanuit een lastige aanspeelbal. Het team achteraan oefent een korte bal op tijd te zien aankomen en pas dan te vertrekken.

De spelers oefenen met gevoel en scherpe hoeken te spelen op een klein veld, en de tegenstander zo ver naar buiten te lokken dat hij geen goede positie meer heeft.

De netspeler oefent zijn volley diep te spelen, tot achter de servicelijn bij zijn partner achteraan, en de speler achteraan oefent hem telkens een speelbare bal te geven.

De spelers oefenen een lange reeks volleys op de servicelijn, zonder naar voren te sluiten, en houden de bal ook in leven als er tijdens de reeks een andere speler inspringt.

De terugslager oefent een lage, schuine return die de opstormende speler onder de netrand raakt. De opstormende speler oefent zijn eerste volley eerlijk te beoordelen en het punt daarna verder op te bouwen.

De aanvaller oefent na zijn beginbal naar voren te komen en zijn volleys om beurten naar beide verdedigers te spelen. De verdedigers oefenen slimme passeerslagen naar de helft van de aanvaller.

De spelers oefenen een bal vlak na de bots op te vangen met een zachte halve volley, en hem daarna met een volle zwaai naar hun partner door te slaan.

Het netteam oefent harde ballen met een korte, stevige blokvolley onder controle te houden. Het andere team oefent na een harde aanspeelbal mee naar voren te komen en het punt dicht bij het net af te maken.

De spelers achteraan oefenen met een korte bal of een lob een bal te laten botsen voor of achter een speler die vooraan staat. De spelers vooraan oefenen snel te lezen waar de bal heen gaat en hem met de handen te vangen voor hij botst.

De spelers oefenen een lange reeks halve volleys vanuit een smalle strook vlak achter de servicelijn: laag zitten, de bal vlak na de bots raken en hem rustig en laag terugspelen.

Beide teams oefenen te spelen met één speler vooraan en één achteraan, en bij elke bal snel te kiezen: op een korte bal aanvallen en naar voren komen, op een diepe bal achteruitgaan en verdedigen, terwijl de partner de juiste plaats inneemt.

De spelers oefenen laag en klaar te staan, zodat ze bij een bal die onverwacht terugkomt met een snelle eerste pas vertrekken.

De spelers oefenen hun volley onder controle te houden terwijl ze stap voor stap verder van het net staan, tot achter de baseline, en hun partner telkens een bal te geven die hij uit de lucht kan nemen.

Het uitdagende team oefent naar voren te komen tegen een team dat al vooraan staat. Daarna oefenen beide teams punten waarin alle vier dicht bij het net staan, met snelle handen en lage volleys.

Het team achteraan oefent het punt te openen met een harde, lastige bal naar het netteam en meteen voor de winst te gaan. Het netteam oefent zulke ballen onder controle terug te spelen.

De spelers oefenen bij elke volley hun voeten te verplaatsen: om beurten voor en achter de servicelijn volleyen, en toch de bal rustig in leven houden.

De aanvaller oefent achter zijn beginbal naar voren te komen, zijn eerste volley langs de lijn te spelen, en na het aantikken van de netband terug te gaan voor de lob. De verdediger oefent een schuine slag en een lob onder druk.

De speler achteraan leert zijn eerste bal hoog over een netspeler heen te lobben, en de netspeler leert na zijn beginbal vooraan te blijven tot die bal gebotst is, en dan op tijd terug te gaan voor de lob.

De netspelers leren vanuit een diepe stand naar voren te lopen en een diepe opslag meteen uit de lucht lastig terug te spelen; de opslaggevers oefenen een diepe opslag en het punt dat volgt.

De spelers oefenen een smash na de bots, één keer naar voren lopend naar een korte lob en één keer teruglopend naar een diepe lob, en spelen daarna het punt verder; de tegenstanders oefenen hun verdediging tegen die smash.

De speler achteraan oefent passeerslagen en lobs tegen twee netspelers, en de netspelers leren samen het midden en de lob af te dekken, zodat de passeerder zo weinig mogelijk scoort.

Het uitdagende team oefent een smash na de bots en een aanvalsvolley uit de lucht om naar voren te komen; het kampioenenteam leert na een lob meteen naar voren te stormen en vooraan te verdedigen.

De netspeler leert wanneer en hoe hij naar de andere helft oversteekt om een bal te onderscheppen, en verdedigt daarna zijn hele kant; de speler aan de overkant leert zijn helft tegen die aanval te verdedigen.

De spelers leren zo diep te spelen dat de speler achteraan aan de overkant achteraan blijft, en de netspelers leren actief ballen te zoeken om uit de lucht te nemen.

De spelers leren met een open blad zacht naar boven te volleyen, zodat ze lang volley tegen volley kunnen spelen, eerst vrij en daarna alleen met de backhand of alleen met de forehand.

De speler alleen achteraan oefent een smash na de bots op een hoge, diepe lob en verdedigt daarna zijn helft tegen twee netspelers; de netspelers leren samen het punt af te maken.

De aanvaller oefent een swingvolley op een hoge, trage bal om naar het net te komen, en daarna een verdedigende bal op een lage, wijde bal of een lob; de verdediger oefent schuin passeren en lobben vanaf de servicelijn.

De netspelers leren lang vol te houden en ook vermoeid hun volleys verzorgd te spelen tegen lastige ballen; het team achteraan oefent passeren en lobben tegen twee netspelers.

De spelers leren met gevoel en scherpe hoeken te spelen op een klein veld, en snel klaar te staan voor de volgende bal.

De netspelers leren een harde, lastige bal van dichtbij uit de lucht terug te spelen; de spelers achteraan leren hun beginbal zo lastig mogelijk te maken en het punt schuin uit te spelen.

De spelers leren een gewoon dubbel te spelen met druk op elk punt, want een punt kan veel of weinig waard zijn.

De spelers achteraan leren geduldig diep te spelen en een korte bal meteen hard naar de netspeler aan de overkant te slaan en naar voren te komen.

De spelers achteraan leren een bal in volle loop verzorgd te spelen en samen met hun partner het punt af te maken; de netspelers leren een lopende tegenstander onder druk te zetten.

De spelers leren als team een speler alleen onder druk te zetten; de speler alleen leert een helft te verdedigen en de vrije ruimte bij de tegenstanders te zoeken.

De netspelers leren een hoog opspringende bal snel en vroeg uit de lucht af te maken; de aanspelers leren snel te reageren op een harde bal van dichtbij.

De spelers leren van op de servicelijn veilig en diep uit de lucht te spelen, zonder de bal te laten botsen en zonder naar voren te stappen.

De smasher leert zijn smash te plaatsen en af te maken; de verdedigers leren samen een harde smash terug te halen.

De spelers leren van achteraan diep te spelen, zodat de tegenstanders niet kunnen aanvallen.

De netspelers leren te kiezen waar ze een volley naartoe spelen: een hoge bal hard naar de dichtste tegenstander, een lage bal diep naar de speler achteraan.

De spelers leren diep te spelen, en een korte bal te gebruiken om samen naar voren te komen en het punt af te maken.

De spelers leren een punt foutloos te beginnen: een goede opslag, een veilige terugslag en een eerste volley schuin in het veld.

De spelers leren alle slagen met de continentale greep te spelen, en zo aan het net en in de verdediging dezelfde greep te gebruiken.

De spelers leren de hoogte van hun volley te sturen: hoog en diep van ver, laag en snel van dichtbij.

De spelers leren na hun opslag in te lopen en hun eerste volley bewust te kiezen: kort vlak achter het net of diep tegen de baseline.

De spelers leren een bal aan hun voeten met een halve volley te spelen en daarna naar voren te komen; de spelers aan de overkant leren dat te verhinderen.

De spelers leren een lage bal of een halve volley te spelen en samen met hun tegenstander naar voren te komen, schuin over het veld.

Het team achteraan leert slim te passeren, vooral met lobs; het netteam leert zijn plaats vooraan te verdedigen.

Het team achteraan leert een diepe lob over het netteam te spelen. Het netteam leert achteruit te gaan en een lob met een smash af te werken.

Het team van de opslaggever leert na de opslag naar voren te komen en de eerste bal uit de lucht goed in het veld te spelen.

De spelers leren vanuit een slechte plaats snel een goede dubbelopstelling te vinden en het punt toch te spelen.

De spelers leren hun volley te controleren, ook als ze verder van het net staan.

De spelers leren snel na elkaar volleys te spelen, en daarna meteen over te schakelen naar een gewone bal heen en weer met een andere speler.

Het netteam leert punt na punt geconcentreerd te blijven, en het team achteraan leert met passeerslagen en lobs de reeks van het netteam te breken.

De spelers leren de lengte van hun volley aan te passen aan de afstand tot hun partner.

De terugslagers leren hun terugslag naar een vooraf gekozen vak te sturen, kort of diep, schuin of in de gang.

Het netteam leert met volleys zijn plaats te verdedigen, en het team achteraan leert met passeerslagen en lobs het netteam terug te dringen.

De spelers leren dubbel te spelen met één speler vooraan en één achteraan, en de netspelers leren de bal te onderscheppen.

De achterspeler leert een lage passeerslag te spelen die vlak achter het net landt. De netspeler leert van achter de servicelijn een passeerslag te onderscheppen.

Het netteam leert zijn volleys diep te plaatsen. Het team achteraan leert na een korte bal samen naar voren te komen.

De spelers leren een harde, snelle bal met een korte slag terug te spelen, vanuit drie verschillende afstanden tot het net.

De spelers leren op weg naar het net een lage bal uit de lucht of na de bots goed terug te spelen. Het team achteraan leert een lob over het netteam te spelen.

De spelers leren met slice de bal laag over het net te spelen, dicht bij het net.

De spelers leren volleys te controleren, zodat ze er veel na elkaar kunnen spelen.

De spelers leren een korte, hoge bal aan te vallen, en daarna snel achteruit te gaan voor een lob.

De spelers leren in drie dubbelsituaties de juiste plaats te kiezen: naar voren komen, een korte bal halen, en een kort punt bij het net.

De spelers leren de bal heen en weer te spelen terwijl ze zijwaarts bewegen, schuin en recht over het net.

De spelers leren hun eerste twee slagen van een punt veilig in het veld te spelen: de opslaggever met opslag en volley, de terugslager met terugslag en tweede bal.

De spelers leren de bal met korte, rustige slagen lang in het veld te houden, eerst na de bots en daarna uit de lucht, terwijl er een tweede bal door hun vak gaat.

De spelers leren na hun eigen aangeefbal naar voren te komen en één tegen één te verdedigen bij het net. De achterspelers leren een passeerslag of lob tegen een oprukkende speler.

De netspeler leert voor de servicelijn te blijven staan tegen een harde aanval. De andere spelers leren een korte bal schuin aan te vallen.

De spelers leren in een dubbelpunt de eerste ballen veilig in het veld te houden, op gewone snelheid.

De spelers leren snel te zien welke bal komt, en een harde bal van boven of een korte bal goed terug te spelen.

De netspeler leert zijn volleys in een vaste volgorde naar drie plaatsen te sturen, ook met een scherpe hoek.

De netspeler leert zijn volleys diep en rustig te plaatsen. De achterspeler leert de bal op een goede hoogte naar de netspeler te spelen.

De spelers leren na elke slag van hun team snel van plaats te wisselen met hun partner, en toch een goede bal te spelen.

De netspeler leert een makkelijke bal af te maken. De spelers achteraan leren een harde bal te verdedigen.

De spelers leren een smash goed te spelen van steeds verder van het net.

De spelers leren de bal met gevoel onder controle te houden en kort te spelen, en na hun slag snel plaats te maken voor hun partner.

De spelers leren hun slagen binnen de enkelzijlijnen te houden, en hun opstelling aan te passen aan het doel waarop de tegenstander speelt.

De spelers leren de bal met kleine, zachte tikken onder controle te houden, ook met de rand van hun racket.

De netspelers leren te zien wanneer een korte volley kan, en hem zacht en laag te spelen. De achterspelers leren laag te spelen en snel naar voren te starten.

De achterspelers leren naar een korte bal toe te stappen en hem schuin aan te vallen. De netspelers leren een harde bal vlak voor hun lichaam terug te spelen.

De spelers leren vooraan harde ballen kort en vast terug te blokken.

De spelers leren de bal af te remmen en hem met gevoel kort achter het net neer te leggen.

De spelers leren vaste volleys te spelen en een reeks punten na elkaar te winnen.

De netspelers leren een kans voor een korte volley te benutten. De achterspelers leren diep en laag te blijven spelen.

De spelers leren een hoge bal na de bots met een smash af te maken, en een smash te verdedigen.

De spelers lopen naar een hoge, trage bal, nemen hem met een volle zwaai uit de lucht en lopen door naar het net. Daarna spelen ze punten met alle vier vooraan, en verdedigen ze een lob.

De server legt de derde bal van het punt zacht en kort in het servicevak schuin tegenover hem, zodat hij twee keer botst voor de ontvanger erbij is. De ontvanger loopt naar die korte bal en probeert hem te halen.

De spelers spelen de bal met een hoge boog over het net, zodat hij aan de overkant tussen de servicelijn en de baseline landt. Na elke slag lopen ze terug naar hun baseline en tikken die met hun voet aan.

De spelers spelen een schuin punt één tegen één uit en schakelen meteen om naar een dubbelpunt met hun partner.